DE STELVIOPASS (2757M)
De vierde etappe van de Theo Peters Dwars Door De Alpen Tour 2010 ging o.a. over de Passo Stelvio, welke op de weg van Prato Allo Stelvio naar Bormio ligt. De beklimming naar de pas aan de Oostzijde is bijzonder spectaculair en vooral geliefd en bekend bij het motorvolkje. Het is een uitdaging voor mens en machine!
Er zijn verschillende mogelijkheden een berg te overwinnen. Je kunt een tunnel graven, of om de berg heen rijden. Je kunt echter ook een weg, met 48 haarspeldbochten tegen de berg opleggen, waardoor een wegenbouwkundig kunstwerk ontstaat, dat in het gehele alpengebied zijn weerga niet kent. We hebben het over de Stelviopas, beter gezegd de Oostelijke helling, die vanuit het Vinschgaudal tot bijna aan de top gaat. Eens was de Stelviopas de hoogste alpenweg. Sinds de ontsluiting van de Col d’Iseran en de Col Restefond de la Bonette in de Franse alpen heeft de Stelviopas deze positie verloren. Gebleven echter is de benaming: Koningin van de alpenwegen. Dit is grotendeels te danken aan de ongeëvenaardheid van de door terrassen gevormde weg, die oorspronkelijk bedoeld was als de kortste weg tussen Tirol en het indertijd nog Oostenrijkse Milaan. Vanaf het tijdstip van opening van de weg in het jaar 1826 tot heden is er wel het een en ander veranderd. Onveranderd is het oorspronkelijk terrassen tracé, dat gaandeweg op enkele plaatsen verbreed is en waarvan de betonnen beschermingsranden in de bochten verbeterd zijn. Evenals vroeger vergt de gang over de Stelviopas conditie en prestatiedrift, maar met een motor vlieg je natuurlijk in sneltreinvaart naar boven. Althans... vergeleken met paard en wagen van vroeger! De toeristische aantrekkingskracht van dit traject blijkt wel uit de grote stromen verkeer die op mooie dagen de pas willen overwinnen. Vanuit Prato Allo Stelvio gaat men door het brede zonnige Vinschgaudal en bereikt over een kaarsrechte weg snel de ingang van het Trafoidal. Twee populieren maken zich aan weerszijden van de weg zeer breed en verhinderen bijna de toegang tot een kloofachtig dal. We rijden verder over een reeds behoorlijk stijgende weg, evenwijdig aan de Suldenbeek lopend. Het gehucht Stilfser Brücke is een voormalige bergarbeiders nederzettting. Er liggen een paar huisjes verspreid op een rand aan de Oostkant van de Fallaschkamm. Hier steken we de Suldenbeek over. Terugkijkend zien we de met sneeuw bedekte toppen van de Weiszkugel (3736m), de op een na hoogste berg van de Ötztaleralpen. Door een met bossen bedekte kloof gaat de weg verder omhoog naar de voormalige Oostenrijkse vesting Gomagoi, het eerste grotere dorp in het dal. De weg loopt verder omhoog met een regelmatige wisseling van de dalzijden. Plotseling is er de eerste bocht, gekenmerkt door een kilometersteen met het opschrift 48. We bereiken nu Trafoi, het laatste gehucht voor de pas.Het bos op de bergflanken wijkt nu langzaam terug, terwijl er gelijktijdig een prachtig uitzicht op het met gletschers bedekte einde van het dal opdoemt.
Op zonnige dagen wordt je bijna verblind door de schitterrende sneeuw, de witte pracht van de ijsbeken en de gletschers. Ze lopen van de berghellingen rond de donkere en pyramide-vormig oprichtende Madatschspitze, diep naar de bodem van het dal. Hoogstammige naaldbossen langs de hellingen van de Fallaschkam belemmeren ons het uitzicht , en de smalle bochten in de weg vergen onze volledige aandacht. Reeds na enkele kilometers wijkt het bos en bij een kleine herberg AWeiszer Knott@ is een korte stop welkom. Majestueus verheft zich op de tegenovergelegen dalzijde het Ortler -bergmassief. De met brokken steen en rots bedekte helling gaat over in een gletscher- bedekte kroon. Verdere bochten langs een met rotsen en grind bedekte berghelling aan de rechter dalzijde brengen ons naar de Franzenhoogte. Dit is een klein dal, dat naar keizer Frans de 1ste van Oostenrijk genoemd werd. Hier was ooit een belangrijk voorraadstation voor de plaatselijke bewoners. Tegenwoordig staat er een hotel, waarvan de tennisbaan niet in het landschap van het hooggebergte past. Nog 21 haarspeldbochten liggen er voor ons tot aan de pas, elk voorzien van een betonnen rand, die 21 maal precies de volgende rijstijl vereisen: Eerst voor de bocht bij remmen, vervolgens snelheid verminderen tot bijna stapvoets rijden, dan de motor maximaal platleggen en beetje gas bij, langzaam oprichten, om vervolgens volgas te accelereren bij het uitgaan van de bocht, Dit is het ultime rijgenoegen naar mijn smaak. Echter, dit te beoordelen, laat ik liever aan je persoonlijke beleving over. Je hebt nog te maken met het levendige tegenverkeer en de slechte toestand van het wegdek, die de beschreven handelwijze hinderen. Verschillende parkeerplaatsen naast de bochten geven steeds de mogelijkheid te pauzeren en daar moet je dan ook van profiteren, want steeds mooier en mooier wordt het uitzicht op de Ortler en de daarnaast liggende bergtoppen. Onverwachts ligt dan de pas voor ons en daarmee ook een kermis van souvenirwinkels en eettentjes. Dit wordt ook veroorzaakt door het feit dat de Alp zomerskigebied is. Het mooiste uitzicht op de juist overwonnen bochten heeft men overigens 100 meter boven de pas; bij of in de Tibethut, wiens karakteristieke ronde bouw zich iets oostelijk van de pas verheft. De pas zelf biedt slechts een zeer beperkt uitzicht. Het onderwerp van gesprek zal wel de overwonnen bochten zijn, die op geen enkele manier te vergelijken zijn met het bobsleebaanachtige circuit van nu volgende afdaling door het Brauliodal naar Bormio.
Ons roadbook gaf echter aan, om bij Cantoniera rechts af te slaan en over de Umbrailpas Zwitserland in te gaan, om vervolgens onze route richting het belasting paradijsje Samnaun te vervolgen.
|













|